Gezonde Zorg

Organisatie en financiering van een kosteneffectieve,
patiënt- en zorgverlenersvriendelijke en faire gezondheidszorg
A- A A+

Uitkomstassessment v. 3.10

Algemeen

Begrippen en basisprincipes

Assessment omvat o.a. meten, bepalen en beoordelen. Omdat daar geen Nederlandse verzamelterm voor is, wordt de Engelse gebruikt.

De zorgresultaten, ingevolge de keuze voor de term uitkomstfinanciering hier zorguitkomsten genoemd, zouden primair moeten worden gezien in termen van pathologieverloop en consumenttevredenheid. Pathologieverloop is een betere term dan gezondheidswinst, omdat men bij een aantal aandoeningen niet veel meer kan doen dan verergering afremmen.

De consumenttevredenheid bestaat uit zaken als de afsprakenlogistiek en informatievoorziening, de persoonlijke attitude van de zorgverleners, en de accomodatie, inclusief de meer materiële zaken betreffende het eventuele verblijf.

Pathologieverloop en consumenttevredenheid gaan lang niet altijd gelijk op. Zo vond een Brits onderzoek een slechts zwakke correlatie tussen die twee ('PROMs' = pathologieverloop, 'PREMs' = consumenttevredenheid). En een Nederlandse data-analyse vond precies hetzelfde .

Voor de cure zou in veel gevallen het pathologieverloop belangrijker zijn dan de consumenttevredenheid, maar bij gelijk curatieve kwaliteiten tussen zorgaanbieders wordt de consumenttevredenheid wel belangrijk.

Verder kan in de care meestal überhaupt niet veel curatiefs gedaan worden. Terwijl uitkomstfinanciering daar net zo goed ingevoerd kan worden, op basis van voornamelijk consumenttevredenheid. Het is derhalve belangrijk om pathologieverloop en consumenttevredenheid beiden op een accurate manier te kunnen bepalen.

Ziektelastmeting en biotechnische indicatoren

Waar pathologieverloopassessment aangewezen is, zou het verloop bepaald moeten worden met behulp van ziektelastverloopmeting (waarbij voor de zorgzwaartecorrectie een nulmeting plus een vervolgmeting nodig is), in een aantal gevallen aangevuld met — in de mondzorg vervangen door — beoordeling van bepaalde biotechnische indicatoren.

Voorbeelden van die indicatoren zijn CT-beelden, bloedonderzoek, functietests en beoordeling van de tandvleesconditie door een tandarts of mondhygiëniste.

Er zijn echter uitzonderingen. Zo kan in de spoedeisende hulp regelmatig geen ziektelastnulmeting gedaan worden, is er in de mondzorg vaak geen sprake van ziektelast, en is pathologieverloopassessment in de huisartsenzorg niet werkbaar (zie verder). Daar blijft men dus aangewezen op consumenttevredenheidsmeting in combinatie met bepaalde structuur- en procesindicatoren (SEP~).

Meer over de biotechnische indicatoren

De criteria waaraan een biotechnische indicator (BtI) zou moeten voldoen om te worden opgenomen zijn de volgende:

  1. Er dient een sterke correlatie te zijn tussen de BtI en het (te verwachten) pathologieverloop. Bij twijfel daarover zou de wetenschappelijke literatuur geraadpleegd moeten worden.
  2. Hij dient informatie te geven over het (te verwachten) pathologieverloop die niet uit de ziektelastdata afgelezen kan worden.
  3. Indien hij naast een andere BtI gebruikt wordt dient hij informatie te geven die niet al uit de andere BtI afgeleid kan worden.
  4. Hij dient accuraat te zijn in termen van reproduceerbaarheid en responsiviteit (de validiteit wordt al gedekt door punt 1). Zie verder voor meer informatie hierover.

Welk gewicht een indicator zou moeten krijgen t.o.v. de ziektelastmeting in de berekening van de pathologieverloopscore, is een zaak voor de beroepsgroepen en zorgverzekeraars. Patiëntenverenigingen zouden daarin ook betrokken kunnen worden, maar men dient wel wetenschappelijk en terzake klinisch onderlegd te zijn.

Een genetische dispositie kan een belangrijke factor in het pathologieverloop zijn. Indien dat wetenschappelijk vastgesteld is zouden, om die factor te verdisconteren, diagnosecodes of kwaliteitsbeschrijvingen met en zonder dispositie gecreëerd moeten worden.

Voor de verdiscontering van langetermijnresultaten en complicaties, zie de desbetreffende paragrafen verderop.

Kwaliteitsassessment

Pathologieverloopassessment, consumenttevredenheidsmeting en SEP-indicatoren, waaronder de basisnormen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGz), vormen samen het algehele kwaliteitsassessment. In enkele zorgsoorten, waaronder vooral ook de care, is pathologieverloopassessment echter niet zinnig, niet werkbaar of niet fair.

Het voorgaande samenvattende:

Routine outcome monitoring

Des te groter en homogener een onderzoekspopulatie is, des te kleiner het aantal proefpersonen hoeft te zijn om toch een accuraat beeld te verkrijgen. Er zijn echter veel aandoeningen die niet vaak voorkomen en/of extreem dure behandeling vergen. En de kwaliteit van zorgaanbieders dient per diagnose vastgesteld te kunnen worden.

Verder zouden voor steekproeven de proefpersonen door de zorgfinancier (zorgverzekeraar of overheid) geselecteerd moeten worden. Laat men de selectie over aan de zorgaanbieder, dan is de kans op selectiebias groot. Pathologieverloopassessment en consumenttevredenheidsmeting dienen dus in principe bij elke consument gedaan te worden. Dit wordt routine outcome monitoring (ROM) genoemd.

In de geestelijke gezondheidszorg (GGz) wordt met ROM uitkomstassessment bedoeld, maar dat is een onjuist gebruik van de term. Uitkomstassessments kan men op een steekproef- en een ROM-manier doen.

Bij gebruik van de Universele Ziektelastschaal kost ziektelastmeting de zorgaanbieder weinig tijd, en de meeste biotechnische indicatoren worden in het zorgproces automatisch al beoordeeld door de zorgaanbieder. Verder kan de consumenttevredenheidsmeting geheel geautomatiseerd geschieden. ROM is dus nodig en de administratieve belasting die het met zich meebrengt kan zeer beperkt blijven.

Kwaliteitscriteria voor assessments

Uiteraard dienen assessments accuraat te zijn. Daarvoor dienen ze reproduceerbaar, valide en voldoende responsief te zijn, de standaard klinimetrische kwaliteitscriteria. Dat dient te worden gecontroleerd middels een valideringsonderzoek (zie later voor het verschil tussen valideren en validiteit).

Gevalideerd ≠ klinisch accuraat

Ten aanzien van een vragenlijst wil het feit dat hij goed door een valideringsonderzoek is gekomen niet zeggen dat hij in de klinische praktijk ook accuraat is. Bij dergelijke valideringsonderzoeken gebruikt men namelijk vrijwilliger-proefpersonen die over het algemeen tijd en aandacht aan het invullen ervan besteden.

Door een sterke stijging van het aantal enquêtedeelnameverzoeken in de afgelopen jaren, inclusief telefonische, wordt de bevolking echter enquêtemoe. Welk probleem alleen nog maar groter gaat worden als uitkomstfinanciering zorgbreed ingevoerd gaat worden.

Dat kan naast een lager responspercentage ook tot gevolg hebben dat men de vragenlijst nog wel invult, maar dat 'vlug-vlug' doet. Met gevolgen voor de kwaliteit van de antwoorden. In de zorg is dat scenario bepaald niet denkbeeldig, omdat men bij zorgvragenlijsten veel eerder geneigd zal zijn ze toch in te vullen. Het is bij die vragenlijsten dus nog belangrijker dat ze zo kort mogelijk zijn, zonder dat ze daardoor inboeten aan accuratesse.

Aanvullende kwaliteitscriteria

Aanvullend zouden assessments aan de volgende kwaliteitscriteria moeten voldoen:

Tot slot zijn er nog enkele specifieke kwaliteitscriteria, voor specifieke deelassessments. Die worden beschreven op Ziektelastmeting en Consumenttevredenheidsmeting.

Vragenlijsten niet samenvoegen...

Men zou wellicht denken dat door in de consumenttevredenheidsmeting een of enkele ziektelastvragen op te nemen, en de antwoorddata te scheiden, met één meting kan worden volstaan. Echter, bij zeer dure behandelingen en ernstige aandoeningen kan een effectiviteitsverschil van 10% al van belang zijn. En voor een voor de zorgaanbieder faire kwaliteitsbeoordeling is qua ziektelastverloopmeting een nulmeting nodig. De ziektelast bij aanvang kan immers van grote invloed zijn op het ziektelastverloop.

Men zou dat op zich kunnen oplossen door in de consumenttevredenheidsmeting ook te vragen naar de ziektelast bij aanvang, maar vanwege de recall bias is dat een inaccurate methode. Men zou dus de vragenlijsten voor de ziektelast- en consumenttevredenheidsmeting niet moeten samenvoegen.

...en niet door elkaar gebruiken

Voor die aandoeningen/klachten waarvoor al ziektelastvragenlijsten bestaan, gebruiken zorgverleners vaak onderling verschillende. Dat is een slechte zaak omdat ze vaak moeilijk vergelijkbaar zijn. Als een klachtenvragenlijst alleen vraagt naar pijn en een andere alleen naar beperkingen, kunnen ze scorematig precies dezelfde verbetering laten zien als beiden verbeterd zijn, maar ze meten iets heel anders.

Daarbij hebben ze vaak geen gelijke responsiviteit, en een omrekenformule als de T-scoreformule lost dit probleem niet op (1). Als het moeten gebruiken van zo'n formule überhaupt al wenselijk is. Zorgverleners zouden dus landelijk dezelfde assessments moeten gebruiken bij dezelfde aandoeningen.

PROM's bij cognitieve aandoeningen

Ziektelast- en consumenttevredenheidsvragenlijsten vallen onder de patient-reported outcome measures (PROM's). Men zou wellicht denken dat PROM's niet geschikt zijn voor patiënten met cognitieve aandoeningen zoals dementie. PROM's kunnen echter ook worden ingevuld door familie en naasten.

Uiteraard dienen die dan wel een goed beeld te hebben van de zaken. Ingeval van intramurale zorg dienen de zorginstellingen daarvoor doorlopende bezoekuren te hebben.

PROM's en PREM's

Sinds enige tijd worden consumenttevredenheidsvragenlijsten ook wel PREM's genoemd: patient-reported experience measures. Alhoewel daar op zich valide argumenten voor zijn, wordt ziektelast ook ervaren. Derhalve, en omdat er niet gelijktijdig ook overkoepelende term voor PROM's en PREM's is 'meegeleverd', worden op deze website met PROM's zowel ziektelast- als consumenttevredenheidsvragenlijsten bedoeld.

Meer specifiek

Vrijstelling van pathologieverloopassessment

Er zijn drie zorgsoorten die geheel vrijgesteld zouden moeten worden van de — geformaliseerde — pathologieverloopassessmentplicht: de huisartsenzorg, de tweedelijns spoedeisende hulp en de care. (Zie verder voor de vervangende indicatoren.) Verder zou voor de tandheelkunde en de eerstelijns paramedische zorg een beperkte plicht moeten gelden. (Tweedelijns is een interne aangelegenheid.)

Volledige vrijstelling

Beperkte vrijstelling

Alternatief voor in de intramurale care

Ondanks de ontheffing voor het formele pathologieverloopassessment is het voorkómen van vermijdbare comorbiditeit wel een belangrijke zorgkwaliteit voor aanbieders van intramurale care.

Inzicht daarin kan verkregen worden door die aanbieders te verplichten om nieuwe aandoeningen (incl. mondproblemen ) en ongevallen te registreren. Die data zouden gecontroleerd en gemonitord moeten worden door de IGz.

Die registratieplicht zou op zich ook kunnen gelden voor ziekenhuizen. Ziekenhuizen kunnen echter ook op een andere manier geprikkeld worden om vermijdbare comorbiditeit te voorkomen, d.m.v. één prijs voor de behandeling van de initiële pathologie. Ontwikkelt de patiënt dan bijv. doorligwonden, dan is het langere verblijf in het ziekenhuis voor rekening van het ziekenhuis.

Pathologieverloopassessment bij multimorbiditeit

Men zou misschien denken dat bij multimorbiditeit pathologieverloopassessment ook niet mogelijk is. Dat zal inderdaad moeilijk zijn als de patiënt niet kan inschatten welke symptomen veroorzaakt worden door welke aandoening. Maar dat komt niet vaak voor.

Het is in ieder geval niet zo dat pathologieverloopassessment in principe niet kan bij multimorbiditeit. De meeste aandoeningen worden door afzonderlijke specialisten behandeld, en voor aandoeningen waarbij een andere aandoening een complicerende factor is kunnen aangepaste kwaliteitsbeschrijvingen opgesteld worden. Verder vormen multipele pathologieën regelmatig syndromen.

Integratie van langetermijnresultaten

De langetermijnresultaten qua pathologieverloop, die zich regelmatig pas openbaren nadat patiënt en zorgaanbieder in wederzijdse tevredenheid afscheid hebben genomen van elkaar, zouden op zich ook in het uitkomstassessment opgenomen kunnen worden. Dat levert echter een veel gecompliceerder systeem op, en er is een beter alternatief voor.

Een belangrijke functie van uitkomstassessments is dat ze zorgaanbieders prikkelen om kwaliteit te leveren. Dat kan ook, net als het voorkómen van vermijdbare comorbiditeit, bereikt worden door voor onderzoek en behandeling één bepaalde basisprijs af te spreken, inclusief onverhoopt nieuw benodigde behandeling. Met een boeteclausule als de patiënt dan niet meer geholpen wordt of om kwaliteitsredenen naar een andere zorgaanbieder gaat.

Integratie van sterftecijfers

Voor een volledig uitkomstassessment dienen op zich ook de sterftecijfers geïntegreerd te worden, maar die zouden wel op een accurate wijze moeten worden gecorrigeerd voor confounders. Daarvoor wordt sinds enige tijd de Hospital Standardised Mortality Ratio (HSMR) gebruikt, maar over de accuratesse daarvan is gerede twijfel ontstaan.

Verder zouden ook de sterftecijfers gedurende minimaal de eerste maand na ontslag meegerekend moeten worden.

En uiteraard zouden alleen gelijksoortige ziekenhuizen c.q. afdelingen met elkaar vergeleken mogen worden. Het geeft zelfs nog een vertekend beeld als men een gespecialiseerd kankerziekenhuis of de oncologie-afdeling van een academisch ziekenhuis vergelijkt met dezelfde afdeling van een algemeen ziekenhuis. De eerste twee zullen immers veel meer moeilijke kankersoorten behandelen.

Op zich zou men ook de sterftecijfers van de intramurale care kunnen monitoren, maar de registratie van en controle op de comorbiditeitscijfers aldaar ondervangt dat al. Als care-instellingen vermijdbare comorbiditeit weten te voorkomen zullen de sterftecijfers navenant dalen.

Integratie van (andere) complicaties

Complicaties zouden gedefinieerd moeten worden als het optreden van een pathologie of klacht die in principe losstaat van de pathologie waarvoor zorg verleend wordt. Bijwerkingen van medicijnen vallen daar ook onder.

De mate van optreden van complicaties kan een belangrijke zorgkwaliteitsindicator zijn. Hoe complicaties zouden moeten worden geïntegreerd is nog niet volledig duidelijk, maar wel duidelijk is dat met het bovenstaand beschreven systeem zorgaanbieders al duidelijk geprikkeld worden om die zoveel mogelijk te voorkomen:

Wellicht zijn er complicaties of omstandigheden die niet gedekt worden door het systeem, maar men dient wel te voorkomen dat zorgaanbieders meervoudig afgerekend worden op complicaties.

Organisatie

Wie doet de uitkomstassessments?

Zoals op Assessmentwerkwijze zal blijken, hoeven zorgaanbieders heel weinig extra werk te hebben aan de assessments zelf. Bijna alles wordt gedaan door de consumenten of hun vertegenwoordigers. De vraag is echter welke partij de aangeleverde ROM-data zou moeten verwerken. Het antwoord daarop wordt beperkt door drie zaken:

  1. De persoonsgegevens van de consumenten moeten door de partij gedecodeerd kunnen worden. De partij moet immers steekproefsgewijs controleren of de zorgaanbieders de pathologieverloopdata naar waarheid hebben aangeleverd (de consumenttevredenheidsmeting kan geheel buiten hen om gaan).
  2. Het zou één partij moeten zijn. Ten eerste omdat als elke zorgsector zijn eigen partij zou hebben, de persoonsgegevens van zo'n beetje iedereen bij op zijn minst een aantal partijen bekend zouden zijn. De meeste mensen krijgen immers over het gehele leven gezien te maken met meerdere soorten zorgverleners.

    Ten tweede omdat zorguitkomsten niet alleen intra- maar ook interdisciplinair met elkaar vergeleken moeten kunnen worden. Dat betekent, om het werkbaar en goed functionerend te houden: één database.

  3. De partij mag niet failliet gaan.

Er is maar één partij die aan alle drie criteria voldoet: de Rijksoverheid, i.c. het Kwaliteitsinstituut (of beter: het Zorgkwaliteitsinstituut). Weliswaar heeft de Rijksoverheid grote problemen gehad met automatiseringsprojecten, maar de Nederlandse zorg-ICT loopt mondiaal voorop .

De Rijksoverheid kan ICT-bedrijven inhuren en ingeval van dreigend faillissement de betreffende personeelsleden zelf in dienst nemen, totdat een nieuw ICT-bedrijf gevonden is.

Pilotprojecten

Voor (een beperkt aantal) pilotprojecten zou men een uitzondering kunnen maken. De grootste kans van slagen zou dan hebben als een stand alone beroepsgroep een pilotproject op zou zetten, met het Kwaliteitsinstituut als bewaker van het toekomstig algemeen belang.

De assessmentdata zouden dan alleen voor de (leden van de) beroepsgroep en het instituut toegankelijk moeten zijn. En de data zouden gewist of overgedragen moeten worden op het moment dat overgegaan wordt op een landelijk systeem.

Verder kunnen pilotprojecten opgezet worden door ziekenhuizen, gezien dat die toch al beschikken over de medische en psychologische gegevens van de consumenten. De voorwaarden daarvoor zijn analoog aan de bovenstaande.

Men zou wellicht denken dat in deze het model van de SBG gekopieerd zou moeten worden, omdat die stichting wordt bestuurd door vertegenwoordigers van patiënten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars.

Echter, met de gebruiksvriendelijkheid van het SBG-systeem is het zeer slecht gesteld. En ook met de intrinsieke kwaliteit ervan zit het kennelijk niet goed . Verder zijn er voortgangsproblemen . De oorzaken daarvan kunnen zijn:

Wellicht zijn al die oorzaken te verhelpen, maar het SBG-project zou dus voorlopig niet gekopieerd moeten worden. Waarbij opgemerkt dient te worden dat het feit dat vertegenwoordigers van patiënten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars samenwerken geen garantie is dat er een gebruiksvriendelijk en accuraat systeem uit de bus komt rollen.

De rol van de IGz

De kwaliteit van zorg is nu nog voor een belangrijk deel het domein van de IGz. Als de uitkomstassessments het domein van het Kwaliteitsinstituut worden, betekent dat niet dat de IGz overbodig zou worden. Integendeel, want er zijn zaken die niet of moeilijk uit de uitkomstassessments naar voren komen, of waarbij het onverantwoord zou zijn om te wachten op de uitkomst van (nieuwe) assessments.

De IGz blijft dus nodig en is de aangewezen partij voor:

Verder zou voor mensen die in de zorg werken een wettelijke meldplicht aan de IGz ingesteld moeten worden, van alle zaken die redelijkerwijs gemeld zouden moeten worden. Op dit moment is er voor individuele zorgmedewerkers alleen een meldplicht voor calamiteiten en seksueel misbruik . Waarbij de meldplicht uiteraard vergezeld dient te gaan van garantie op klokkenluidersbescherming .

Twee geheel verschillende instanties die de kwaliteit van zorg monitoren is echter zeer ongewenst, vooral ook voor de zorgaanbieders. Derhalve zouden de IGz en het Kwaliteitsinstituut samen moeten gaan in het Zorgkwaliteitsinstituut, met als gelijkwaardige hoofdafdelingen Zorginspectie en Zorguitkomsten. Zie hiervoor ook Uitkomstfinanciering.

Totaal kwaliteitsassessment per zorgsoort

Algemene onderdelen

Verderop wordt per zorgsoort kort beschreven welke specifieke/aanvullende kwaliteitsassessmentonderdelen wel of juist niet van toepassing zouden moeten zijn. Eerst echter een opsomming van de onderdelen die voor alle zorgsoorten standaard zouden moeten zijn:

De specifieke/aanvullende assessmentonderdelen die wel of juist niet van toepassing zouden moeten zijn, zijn de volgende.

1a. Huisartsenzorg (voor huisartsenpostzorg, zie 1b)

Wel: identificatie van de behandelaar en monitoring van het verwijs- en medicijnenvoorschrijfbeleid. Het laatste voor zover dat nog zinvol is gezien het gewijzigde vergoedingenbeleid van merk- vs. generieke medicijnen.

Niet: differentiatie naar diagnose, en geformaliseerd pathologieverloopassessment (zie boven voor de reden).

1b. Huisartsenpostzorg

Wel: identificatie van de behandelaar en monitoring van het verwijsbeleid.

Niet: differentiatie naar diagnose, en geformaliseerd pathologieverloopassessment (zie boven voor de reden).

Opmerking: de reden voor het onderscheid tussen huisarts- en huisartsenpostzorg is een technische: bij huisartszorg dient de patiënt periodiek voor de consumenttevredenheidsmeting uitgenodigd te worden, bij huisartsenpostzorg éénmalig, in principe meteen na het consult.

2. Planbare zorg door curatieve instelling, medisch specialist of psychotherapeut/loog

Wel: identificatie van de behandelaar, differentiatie naar diagnose, en geformaliseerd pathologieverloopassessment. Ook: controle op de sterftecijfers (zie boven voor hoe die in zijn algemeenheid berekend zouden moeten worden).

Opmerkingen: 1. De Universele Ziektelastschaal is ook geschikt voor psychologische/psychiatrische ziektelastmeting. 2. Zie qua kwaliteitsassessments in de ziekenhuiszorg ook Het Kwaliteitsvenster — goed zicht?

3. Tweedelijns spoedeisende hulp (SeH)

Wel: specifieke SEP-indicatoren, waarvan een zeer belangrijke de door-to-needle time bij herseninfarcten is, welke door SeH's geregistreerd zou moeten worden.

Niet: identificatie van de behandelaar, differentiatie naar diagnose en geformaliseerd pathologieverloopassessment. Zie boven voor de reden van het niet-verplicht zijn van het geformaliseerde pathologieverloopassessment.

Uitgaande van de validiteit en het gewicht van die reden is differentiatie naar diagnose ook niet zinvol. Men zou dan per diagnose slechts de consumenttevredenheid krijgen, wat in deze zorgsoort een slechte verhouding tussen administratieve belasting en inzicht in zorgkwaliteit zou opleveren.

De behandelaaridentificatie is vooralsnog ook niet verplicht. De SeH-arts is in principe de behandelaar, maar regelmatig overlegt h/zij telefonisch met en (be)handelt h/zij op advies van een specialist. Vooral als de SeH-arts een basisarts is, wat vaak voorkomt.

Dat zou betekenen dat de geraadpleegde specialist als behandelaar aangemerkt zou moeten worden. Echter, vaak ziet die de patiënt niet eens, waardoor dat (ook) niet fair zou zijn.

4. Tandheelkundige zorg incl. mondhygiëne

Wel: identificatie van de behandelaar en de biotechnische indicator Dutch Parodontal Score Index (DPSI). Daarnaast zou voor tandartsen een periodieke steekproefsgewijze controle moeten komen op de tweejaarlijkse röntgenfoto's die ze dienen te maken. Inclusief de uitgevoerde behandeling bij afwijkingen daarop.

Niet: differentiatie naar diagnose, en ziektelastmeting. Voor het eerste zijn de diagnoses in aantal te weinig wezenlijk verschillend om zinvol te zijn. Het tweede heeft ook weinig zin omdat, uitgaande van periodieke controles, in deze zorg meestal geen sprake is van ervaren wezenlijke ziektelast.

5. Eerstelijns dieetadvisering

Wel: identificatie van de behandelaar, differentiatie naar diagnose en ziektelastmeting. Het laatste ook ingeval van behandeling op verwijzing, omdat tussen het moment van ziektelastmeting door de verwijzer en de verwijzing de ervaren last wezenlijk veranderd kan zijn.

Niet: biotechnische indicatoren, omdat van zelfstandig door de diëtist(e) vast te (laten) stellen dergelijke indicatoren geen sprake lijkt te zijn. Weliswaar is een BMI makkelijk vast te stellen, maar gezien dat maar drie uren dieetadvisering vergoed worden vanuit de basisverzekering is dat geen zinnige indicator.

6. Overige eerstelijns paramedische zorg

Wel: identificatie van de behandelaar, differentiatie naar diagnose en geformaliseerd pathologieverloopassessment. Ziektelastmeting zou ook verplicht moeten zijn bij behandeling op formele verwijzing omdat de ervaren ziektelast tussen de meting door de verwijzer en de verwijzing wezenlijk veranderd kan zijn.

Paramedici kunnen echter regelmatig zelf geen biotechnische indicatoren (laten) onderzoeken, zoals laboratorium- of beeldvormende onderzoeken. Derhalve zouden voor hen die indicatoren beperkt moeten worden tot die die ze zelf kunnen (laten) meten.

Opmerking: ingeval van behandeling op verwijzing zou de eventuele diagnose van de verwijzer overgenomen moeten worden, of contact met de verwijzer opgenomen moeten worden om de diagnose te laten wijzigen.

7. Formeel niet-curatieve zorg (care).

Wel: registratie van incidentie van vermijdbare comorbiditeit.

Niet: geformaliseerd pathologieverloopassessment (zie boven voor de reden).

Opmerking: of in de care de behandelaar geïdentificeerd zou moeten worden dient nog nader bepaald te worden. De vraag is namelijk wie in de verpleeghuiszorg als eerstverantwoordelijke beschouwd moet worden: de verpleeghuisarts of de eerstverantwoordelijke verpleegkundige/verzorgende.

Aanmerking hoofdbehandelaar en diagnose

Indien in het bovenstaande identificatie van de behandelaar verplicht is zou bij multidisciplinaire behandeling moeten gelden dat één behandelaar als hoofdbehandelaar optreedt. En ingeval van een in opleiding zijnde behandelaar of vervanger voor een korte periode, zou de superviserende of vervangen behandelaar aangemerkt moeten worden.

Indien differentiatie naar diagnose verplicht is en een differentiaaldiagnose (Dd) mogelijk is, zou van die optie alleen gebruik gemaakt moeten worden als de Dd accuraat vastgesteld kan worden. De richtlijnen zouden daar informatie over moeten bevatten.

Referenties

  1. De Beurs E, Barendregt M, Flens G, et al. Vooruitgang in de behandeling meten — Een vergelijking van vragenlijsten voor zelfrapportage. Maandblad voor de Geestelijke Volksgezondheid 2012,67:259-264.

Versiehistorie (laatste vijf versies; meer)

Eventuele honderste versie-updates worden niet gespecificeerd; zie voor meer informatie Introductie. De woordafbreking op deze site is geautomatiseerd. Dat systeem heeft echter beperkingen en varieert met de ingestelde lettergrootte. Reacties zijn welkom op . Voor verdere contactinformatie zie Colofon/contact/CV. Deze site is gecreëerd door Frank Conijn.